 |
De mens, in tegenstelling tot de dieren, geeft zich
grote moeite om zijn territorium af te bakenen en te beschermen. Vogels
beperken zich tot luid zingen, katten leggen "vlaggen", maar de mens
omringt zijn woning met hagen, afsluitingen, muren, deuren met sloten en
geavanceerde elektronische alarmsystemen. Ook gemeenschappen bakenen hun
gebied af en versterken het eventueel. Reeds van in een ver verleden
omringden ze in onzekere tijden hun nederzettingen met grachten, muren
of wallen, of organiseerden ze ringwalforten en oppida waarin ze bij
gevaar met have en goed konden vluchten. Die gemeenschappen spaarden
hiervoor moeite noch inspanning.
In de Middeleeuwen werden de
stadsversterkingen een symbool van een bewust streven naar
onafhankelijkheid en vrijheid. Ze waren het voorwerp van trots -denken
we maar aan de prachtige stadspoorten- even goed als de kerken en
burgerlijke gebouwen van de stad.
Tot in het midden van de 19de
eeuw was de beste verzekering voor de burger om aan het oorlogsgeweld,
de plunderingen en de brandschattingen te ontsnappen, het wonen binnen
een omwalde stad. Abdijen en kloosters buiten de stadsmuren gelegen,
hadden er hun refugies waarin ze zich bij oorlogsdreiging konden
terugtrekken. De stadsversterkingen, eigendom van de lokale besturen,
maakten deel uit van het dagelijks leven in de stad. In de grachten werd
er gevist, op de wallen tuintjes aangelegd, de beschikbare lokalen
verpacht. De mensen bouwden hun huisjes tegen de stenen vestingmuur aan
terwijl de wallen * de geliefkoosde zondagwandeling vormden voor de toen
nog niet gemotoriseerde families.
Naar gelang de macht van de centrale
overheid groeit, groeit ook haar bedilzucht. Ze gaat zich meer en meer
moeien met de stadsversterkingen: hier moeten bepaalde delen worden
afgebroken, daar andere opgericht...
|